Wat betekent het Zomerakkoord voor het zelfstandigenpensioen?

12 februari 2018 door Daan Weigand

Wat betekent het Zomerakkoord voor het zelfstandigenpensioen?

Het is officieel: het fel besproken Zomerakkoord kent sinds 1 januari 2018 zijn eerste concrete uitwerkingen. Als boekhouder ben je dus maar beter goed op de hoogte – en voorbereid. Dit zijn alvast de belangrijkste gevolgen van het akkoord voor het (aanvullend) pensioen van je klanten.

Hoger spaarplafond voor klassiek pensioensparen

Voortaan zijn er twee spaarformules voor het klassiek pensioensparen. Vroeger kon je klant tot 940 euro storten (nu 960 euro na indexering) aan een belastingvermindering van 30%. Vanaf 2018 mag hij of zij tot 1.230 euro sparen, aan een verlaagd belastingvoordeel van 25%. Je klant kan dus meer aan de kant zetten, maar betaalt dan ook meer belastingen.

Wat is het voordeligst?

Tenzij je klant erg zwaar belast wordt, is het niet interessant om hem of haar het nieuwe stelsel aan te bevelen. Stort je klant bijvoorbeeld tussen de 961 en 1.151 euro, dan geniet hij of zij minder fiscaal voordeel dan wanneer hij of zij 960 euro zou storten. Deze tabel maakt dit duidelijk:

  Gekozen bedrag Belastingsvoordeel Je krijgt terug:
Huidig stelsel (tot 960 euro) Bv. 960 euro 30% 288 euro
Nieuwe stelsel (tot 1.230 euro) Bv. 961 euro 25% 240,25 euro
   Bv. 1.151 euro 25% 287,25 euro

Stort je klant het nieuwe maximum (1.230 euro), dan lijkt het voordeel wél het grootst: je klant krijgt dan 307,25 euro (1.230 x 25%) terug, 19,50 euro meer dan bij een storting van 960 euro. Maar let op: maak je klant voldoende duidelijk dat hij of zij dan meer belastingen betaalt. Je klant betaalt aan het eind van de rit 8% op het verschil tussen 1.230 en 960 euro, of dus 22 euro extra. Met andere woorden: het voordeel verdwijnt meteen. Een reden te meer om voorlopig tóch voor het oude stelsel te kiezen.

Opgelet: deze maatregel is goedgekeurd, maar nog niet officieel in een wet gegoten. Hou de Xerius-blog in de gaten om als boekhouder van de nieuwste wetgeving en trends op de hoogte te blijven.

Wist je trouwens dat je klant beter voor een VAPZ kiest, in de plaats van het klassieke pensioensparen? De besparing kan dubbel zo groot zijn.


Lagere vennootschapsbelasting

Ongetwijfeld dé blikvanger van het akkoord: de verlaging van de vennootschapsbelasting. Sinds 1 januari 2018 bedraagt die niet langer 33,99% (incl. 3% crisisbijdrage), maar gelden er nieuwe tarieven:

 

In 2018 en 2019

Vanaf 2020

Nieuw basistarief

29,58% (incl. 2% crisisbijdrage)

25% (0% crisisbijdrage)

Nieuw verlaagd tarief

20,40% (incl. 2% crisisbijdrage)

20% (0% crisisbijdrage)

Voor wie?

Het nieuwe basistarief geldt voor grote, financiële, beleggings- en dochtervennootschappen. Enkel kmo’s kunnen van het verlaagde tarief genieten, onder voorwaarden. Zo moet het minimumloon van minstens een van de bedrijfsleiders 45.000 euro bruto per jaar bedragen (vroeger: 36.000 euro). Alleen als de belastbare winst ook lager ligt dan 45.000 euro, mag het minimumloon lager liggen. Daarnaast moet de minimumbezoldiging minstens gelijk blijven aan de belastbare winst na loonaftrek.

Gevolgen voor de Individuele Pensioentoezegging (IPT)

Het nadeel van het optrekken van de bezoldiging naar 45.000 euro is dat de belastingdruk mee stijgt. Pluspunt is dan weer dat de vennootschap van je klant een hogere premie in de IPT mag storten (waarop de vennootschap wel iets minder fiscaal voordeel geniet door de verlaagde tarieven).

Volgens de huidige 80%-regel mag de som van het wettelijk en aanvullend pensioen van je klant immers niet meer bedragen dan 80% van zijn of haar laatste bruto jaarloon. Trekt je klant dat op naar 45.000 euro, dan komt er aanzienlijk meer ruimte vrij om aan aanvullend pensioensparen te doen.


Verdubbeling van de Wijninckx-bijdrage

Jaarlijks mag je klant tot een bepaald bedrag aan premies storten in zijn of haar aanvullend pensioen (VAPZ, IPT, groepsverzekering …). Overschrijdt je klant die grens, dan betaalt hij of zij – in de 2e helft van het jaar dat erop volgt – een extra belasting op het teveel aan premies: de zogeheten ‘Wijninckx-bijdrage’. Tot eind 2017 bedroeg het drempelbedrag 31.836 euro en de bijdrage 1,5%. Vanaf 2018 is dat respectievelijk 32.472 euro en 3%.

Een voorbeeld: in 2017 heeft je klant 35.000 euro gestort in zijn of haar aanvullend pensioen. In de 2e helft van 2018 is je klant dan een Wijninckx-bijdrage verschuldigd van 75,84 euro. Hij of zij betaalt namelijk 3% (tarief vanaf heffing 2018) op het verschil (2.528 euro) van 35.000 en 32.472 euro.


Daan Weigand

Geschreven door Daan Weigand

Daan heeft 9 jaar ervaring in de verzekeringssector, waarvan 4 bij Xerius. Dagelijks adviseert en begeleidt hij ondernemers bij de opbouw van hun aanvullend pensioen.

Ontvang wekelijks een blogupdate

Reageer op dit artikel


Dit artikel gebruiken op je eigen website? Lees hier de voorwaarden.

Een goed idee voor een blogartikel? Laat het ons weten via communicatie@xerius.be of meld je aan als guestblogger